In de tweede en derde eeuw groeit het vroege christendom geleidelijk uit van een kleine Joodse gemeenschap tot een bredere religieuze beweging binnen het Romeinse Rijk. Tegen het einde van de vierde eeuw, na 380, wordt het zelfs de officiële staatsgodsdienst. Die ingrijpende evolutie laat ook duidelijke sporen na in de materiële cultuur van de christenen. Nieuwe vormen van kunst, architectuur en rituele ruimtes ontstaan en ontwikkelen zich: van sarcofagen en catacomben tot fresco’s, baptisteria en basilicae. Deze tastbare overblijfselen tonen hoe christenen hun geloof beleefden, herdachten en zichtbaar maakten in de samenleving. Na deze kennismaking hebben deze vroege christelijke monumenten en objecten geen geheimen meer.

