Morsen. Koffie, soep, tomatensaus (uiteraard op een wit hemd), verf, zout, rijst, de netjes gesorteerde bak met schroefjes en vijsjes. Alles kun je morsen. Thee op je broek, wijn op het tapijt en tijd op maandagmorgen.
Het klinkt negatief, morsen. Maar het is een goed woord. Zeg het maar eens tienmaal na elkaar: morsen, morsen, morsen, …. Ja doe maar verder. Het rolt toch heerlijk door je mond?
En het hoort erbij. Het leven komt zelden netjes opgediend. Het druipt, spat, verkruimelt en loopt soms (neen, vaak) helemaal anders dan gepland.
Waarom zouden we die sporen willen wegpoetsen? Fouten wissen, tranen verbergen, lijstjes willen afwerken terwijl we weten dat er altijd nieuwe to-do’s zullen zijn.
We herkennen elkaar juist in wat gemorst wordt. In de koffie die omgestoten wordt. Een niet tegen te houden lachbui in de stiltecoupé van de trein. Een plek waar het leven mag morsen, is een plek waar je jezelf mag zijn. Niet perfect. Wel nieuwsgierig.
We zien mensen rondom ons die iets feilloos kunnen. Zelden staan we stil bij de duizenden keren dat het eerst onhandig, aarzelend of ronduit niet werkte. Morsen is niet het tegenovergestelde van kunnen. Het is de weg ernaartoe.
Dus denk de volgende keer dat de koffie in bruine straaltjes van het tafelblad op de grond drupt. ‘Hier mag het leven morsen.’ Ook met een rode spat tomatensaus op je T-shirt of een vloer bezaaid met kleine schroefjes. ‘Ook dit is voluit leven. Met vlekken, spatten en verrassingen’